Dag 12: Onderscheiden van gevolgtrekkingen en veronderstellingen

Uit het boek:
Mensen verwarren vaak gevolgtrekkingen/conclusies met veronderstellingen/aannames. Gevolgtrekkingen zijn gebaseerd op veronderstellingen, op basis van overtuigingen die we vaak “voor lief nemen”, overtuigingen waarvan we aannemen, veronderstellen dat ze kloppen.
De veronderstellingen spelen zich meer af op het onbewuste nivo. Wanneer we veronderstellingen herkennen dan vinden we de wortels ervan vaak bij de vooroordelen en andere vormen van irrationeel denken.

Ofschoon veronderstellingen leiden tot gevolgtrekkingen is het handig die bij het oefenen “backward” te benaderen omdat gevolgtrekkingen meer op het bewuste nivo liggen.
Oefenen kan met belangrijke gevolgtrekkingen die je maakt naar aanleiding van issues op het werk, ouderschap, denken over kapitalisme, burgerschap.
Voorbeeld Oefenmatrix uit het boek:
https://www.dropbox.com/s/0hpjkndb2m0zqdj/Voorbeeld%20Oefenmatrix%20uit%20het%20boek%20Dag%2012.pdf?dl=0

Oefening, geleerd, ervaring en inzicht.
Ik heb even moeten denken bij het voorbeeld. Wat het boek in dit hoofdstuk bij het hierboven staande voorbeeld aangeeft als veronderstelling, als aanname, daarin vinden we ook een element van een generalisatie, toch? Maar ja, een generalisatie is natuurlijk ook een aanname c.q. veronderstelling….
Ik heb nog gedacht aan een andere veronderstelling, zoals het “per ongeluk” weggooien van rommel. Kletskoek natuurlijk. Onderliggend gaat het om de gevoeligheid voor de implicaties van rotzooi .

Waarschijnlijk komt e.e.a. verderop in het boek nog meer naar voren want het gaat om de universele denkstructuren zoals die in het eerste deel van het boek staan ( zie onderstaand schema) en is deze oefening van dag 12 de eerste aanzet.
Het matrixvoorbeeld uit het boek vind ik zelf wat flauw. Maar ja, als je je wilt ontwikkelen dan moet je natuurlijk ook bij de basis willen beginnen om die universele denkstructuren die bij een Kritische Denker horen, te verinnerlijken! Tenslotte roep ik zelf altijd: de kracht van de eenvoud…

Dus opnieuw, volgens schema: situatie-gevolgtrekking-veronderstelling.
En wat ik van Ilse leerde: ik ga het verkleinen en ga eens na of ik steeds bij een veronderstelling het gegeven “als-dan” moet gebruiken.
Hoewel.. het woordje “mogelijke” gevolgtrekking triggert ook wel. Hoe verhoudt zich dat met de aspecten van de universele denkstructuren? (onderstaand schema)

“Als-dan” bij veronderstellingen is niet altijd aan de orde. De persoonlijke inkleuring van de aannames, veronderstellingen zijn wel van belang. Een ander kan er echt anders naar kijken op basis van zijn/haar persoonlijke ideeën, ervaringen. Bij voorbeeld 2 in het schema kan het blauwe oog door een medische behandeling komen en bij voorbeeld 3 kan het gaan om iemand die brood bij zich heeft om de eendjes in het park te voeren.

Deze dag met oefeningen bracht de gevoelde noodzaak en daarmee het inzicht dat de aspecten van de universele denkstructuren helpend zijn bij het denken over veronderstellingen en gevolgtrekkingen om je integriteit (dag 2) te waarborgen. Samenhangend weer met dag 9, 10 en 11: Diepe vragen stellen, Onderscheid maken tussen feit, voorkeur en oordeel, Doordenken over implicaties.
En ja, mij overkomt het ook natuurlijk dat ik uitga van aannames, veronderstellingen die van mij zijn. Gebaseerd op persoonlijke ervaringen, ideeën, het weet hebben van..Dat ook….
Toch maar eens beginnen met nadrukkelijk gegevens en feiten erbij te betrekken. Tenslotte gaat het om de Kritische Denker. En komen we weer terug bij dag 9, 10 en 11. Oe…

Universal structures of Thought dag 12

Dag tien: Maak onderscheid tussen vragen naar feiten, voorkeur of oordeel.

Uit het boek:
Om de drie type vragen naar feiten, voorkeur of oordeel te onderscheiden is het van belang te focussen op het type motivatie welke door de vraag wordt vereist.
Er zijn:
Kennisvragen: er is een vastgestelde procedure of methode om het antwoord te vinden. Beantwoording is vanuit feiten en/of definities. Het gaat om het correcte antwoord, om kennis.
De wat en hoe-vragen.
Voorkeurvragen: de vraag is goed beantwoord volgens ’n subjectieve voorkeur; er is geen juist antwoord. Antwoorden zijn goed als zij relevant zijn voor de vraag, Wat prefereer je, hoe doe jij, houd je van, wat is..
Oordeelvragen: er zijn meerdere “concurrerende” gezichtspunten van waaruit je redelijkerwijze een antwoord kunt destilleren. Er is geen juist antwoord. Wel betere en slechtere antwoorden. Bij het beantwoorden van deze vragen maken we gebruik van bijvoorbeeld de intellectuele standaarden helderheid, accuraatheid en relevantie. Hoe kunnen we, wat kunnen we het best doen, zou…, wat is het beste om…

Let op eventuele verwarring in het denken tussen deze drie type vragen!
Merk op wanneer mensen oordeel-vragen gaan behandelen als feitelijke vragen.

Opdrachten:
Let eens op of je iemand vraagt om bewijzen en redenen vanuit diverse invalshoeken aan te geven waarbij het gaat om een vraag over subjectieve voorkeur .
Welke type vragen stel je op een dag en waren ze adequaat gezien de indeling?
Worden er adequate antwoorden gegeven op de drie verschillende vraagtypen?
En dan is het natuurlijk interessant: hoe ga je ermee om?

Toch geruststellend dat verkeerde antwoorden er enkel zijn bij de kennis/feitenvragen. Het “niveau” waarbij geen denken aan te pas komt maar waarbij het vooral aankomt op een goed geheugen.
Of is dat ook wat kort door de bocht? Tenslotte moet je wel info selecteren en een keuze maken voor een zoekmethode. Dat zijn wel de cognitieve bouwstenen voor denken, toch? Ik denk even aan de uitwerkingen van Feuerstein.
Maar of een feitelijk juist antwoord je “De Slimste Mens” maakt? Of gaat het toch om de slotfase van het spel? Zijn trouwens de feitenvragen het onderwerp van de protesten bij de Citotoetsen?

Oefening, ervaring, inzicht:
Het was goed om weer even op de driedeling te worden gewezen. Het maakt je alerter in gesprekken, discussies.
In het dagelijkse verkeer was het mij niet altijd mogelijk om te reageren op een bepaald antwoord/motivatie. Die kunnen ooit gekleurd worden door bijvoorbeeld onderliggende associërende emoties, problemen, stress, deficiëntie. Ooit moet je het dan laten gaan om on speaking terms te blijven.
Ik probeer dan wel gebruik te maken van de strategieën van dag 2 (empathisch vermogen): “ik begrijp dat je zegt…is dat correct?” Vraag me af wat de ander zegt c.q. bedoeld. Verwissel van rol; vertel het gezichtspunt van de ander.
En wat ik echt heerlijk vind: samen ontrafelen welk type antwoord/motivatie er bedoeld wordt naar aanleiding van een feit, oordeel of voorkeur-vraag.
En…ooit heb je een verkeerd type vraag gesteld of was je vraag onduidelijk omdat hij niet compleet was of heb je zelf eigenlijk al een antwoord of mening voorhanden waardoor de vraag, uiteraard, niet past en dus ook het antwoord niet. Het is goed als alle gesprekspartners hier alert op zijn.
Els

Over vragen in de filosofie….